Het mobiele telefoontje

Video over tegenspraak op propagatie

Video over het GSM-gesprek

weblog over configuratie  KPN-netwerk
weblog over werking nabuurlijsten
weblog over niet bestaande cell ID's
weblog over verdraaide weerrapporten

Door alle processen heen is slechts één bewijsmiddel consistent tegen Louwes aangevoerd. Het bewijsmiddel, dat hij zich in de onmiddellijke omgeving van de woning van het slachtoffer bevond, op het moment dat de moord plaats vond. Het mes kwam en ging, het DNA kwam later. En het financiële motief werd door de zijdeur afgevoerd. Het mobiele foontje bleef staan.

Uitspraak hoger beroep Gerechtshof Arnhem, 22-12-2000
Citaat Verdachte heeft op een tijdstip gelegen zeer kort voor het vermoedelijke tijdstip van overlijden, terwijl hij, zoals uit het daaromtrent gedane onderzoek overtuigend is gebleken, in Deventer was of zich in de onmiddellijke omgeving van Deventer bevond, met het slachtoffer getelefoneerd. Dit gesprek heeft 16 seconden geduurd. Het is het laatste telefoongesprek dat door het slachtoffer is gevoerd.

(iii) Bewijsmiddelen 5 tot en met 8
- Resultaten van door de politie verricht onderzoek naar aanleiding van de gegevens in het geheugen van het in de woning van het slachtoffer aangetroffen telefoontoestel. Daarbij is gebleken dat het - mobiele - nummer 06-[...], met welke aansluiting het laatste gesprek was gevoerd, in gebruik was bij de aanvrager.
Voorts is gebleken dat het signaal voor dit gesprek is doorgegeven door een basisstation aan de Nieuwstraat te Deventer. De werking van dit basisstation is onderzocht en dat onderzoek wees uit dat het basisstation slechts een beperkt gebied bestrijkt. De aanvrager moet zich daarom in, dan wel niet ver buiten Deventer hebben bevonden toen hij dit gesprek voerde.
- Tot de bewijsmiddelen die op dit telefoongesprek betrekking hebben behoort een geschrift, opgesteld door R. Steens, inhoudende dat het verzorgingsgebied van het opstelpunt aan de Nieuwstraat te Deventer beperkt is, dat onder normale omstandigheden een telefoongesprek over een per auto afgelegde route vrijwel altijd door een naburig opstelpunt zal worden afgehandeld, dat is onderzocht of signalen op de GSM-frequentie vanuit het opstelpunt aan de Nieuwstraat te Deventer tot de omgeving van 't Harde kunnen reiken en dat dit onderzoek heeft uitgewezen dat het buitengewoon onwaarschijnlijk is dat de signalen over die afstand kunnen worden ontvangen.
- Tot deze bewijsmiddelen behoren voorts een verklaring die R. Steens als getuige-deskundige ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, alsmede een verklaring van de aanvrager, eveneens afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende dat hij op 23 september 1999 omstreeks 20.36 uur met het slachtoffer heeft gebeld.

Commentaar
Er is nooit bewijs overlegd, dat dit telefoongesprek het laatste gesprek was. Daarvoor zou een complete B-analyse op de telefoons van het slachtoffer verkregen moeten zijn. Die analyse was er niet. Het nummerweergavegeheugen van het telefoontoestel van het slachtoffer zat niet vol, dus dat leverde dit bewijs niet (er was op enig moment gewist).
Arrest Hoge Raad Cassatieberoep Conclusie Nr. 01327/01 Mr Jörg Zitting: 9 oktober 2001
Citaat 14. Tenslotte wordt door de steller van het middel nog een beroep gedaan op het feit dat het gevoerde alibiverweer niet door het hof is verworpen. Dit verweer had in hoofdzaak betrekking op het in het opsporingsonderzoek naar voren gekomen GSM-gebruik door verzoeker en de daaraan verbonden plaatsvaststelling aan de hand van de GSM-paal met Cell-ID 14501. In het middel wordt aangevoerd dat bij het hof is betoogd dat sprake is geweest van een onjuiste registratie van het GSM-gesprek en dat niet is uitgesloten dat verzoeker heeft getelefoneerd via een andere Cell-ID dan door de KPN is vastgesteld.

15. Dit onderdeel van het middel faalt eveneens. Het hof heeft immers in de bewijsmiddelen 5, 6, 7 en 8 vastgesteld dat verzoeker omstreeks 20.36 uur met het slachtoffer heeft getelefoneerd en dat dit geschiedde via een GSM-paal opgesteld aan de Nieuwstraat in Deventer. Het gevoerde bewijsverweer wordt aldus volledig weerlegd door de bewijsmiddelen. De klacht in het middel, die uitgaat van een alternatieve lezing van het bewijsmateriaal, stuit derhalve af op de hoofdregel dat de selectie en waardering van het bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter (zie HR 6 juli 1999, NJ 2000, 379 en HR 21 september 1999, NJ 2000, 380, m.nt. Kn). Ik wil er nog op wijzen dat zowel in zijn rapport als in zijn verklaring ter zitting van 2 oktober 2000 de KPN-getuige-deskundige als zijn deskundig oordeel heeft uitgesproken - ik vat de verschillende elementen samen - dat het buitengewoon onwaarschijnlijk is dat een telefoongesprek tussen een mobiele telefoon nabij 't Harde met een vaste telefoon in Deventer zou zijn afgewikkeld via een GSM-paal in Deventer. Ook hier geldt weer, zoals onder 10 aangegeven, dat een theoretische mogelijkheid van een alternatief niet aan de overtuiging van de rechter in de weg behoeft te staan.

Arrest Hoge Raad herzieningsaanvraag Conclusie Nr. 00095/02 Herz Mr Wortel Zitting: 11 maart 2003
Citaat 75. Mij komt het voor dat in het rapport van Inkassotheek/SRD, voor zover het de natuurverschijnselen betreft die zich op 23 september 1999 hebben voorgedaan, een feit aannemelijk is gemaakt waarmee het Hof niet bekend kon zijn, en dat een ander licht kan werpen op de mogelijkheid dat de aanvrager zich ten tijde van het telefoongesprek op grotere afstand van het basisstation in Deventer bevond, bijvoorbeeld bij 't Harde zoals hij heeft verklaard. 76. Dit kan evenwel niet zonder meer tot gegrondverklaring van de aanvraag leiden. Indien thans moet worden aangenomen dat minder zeker is dat de aanvrager in of vlakbij Deventer was toen hij het telefoongesprek voerde, blijven de bewijsmiddelen uitwijzen dat hij het als moordwapen beschouwde mes heeft aangeraakt. Het ernstig vermoeden dat het Hof tot een andere einduitspraak zou zijn gekomen indien het bekend was geweest met de natuurverschijnselen die zich op 23 september 1999 hebben voorgedaan kan daarom op dit moment niet rijzen. Dat ernstig vermoeden kan pas ontstaan indien ook met betrekking tot de geuridentificatie nieuwe feiten aannemelijk worden
Betekenis en commentaar Dieptepunt op het gebied van (juridisch?) redeneervermogen, zeker gezien de reeds verkregen duidelijkheid, dat het mesbewijs door misleiding van een deskundige tot stand was gebracht.
Uitspraak hoger beroep Gerechtshof Den Bosch, 9-2-2004
Citaat 1.7. In het geheugen van een telefoontoestel met nummerherkenning op de studeerkamer van de woning van het slachtoffer staat als laatste nummer genoemd 06-53709437, ingekomen (blijkens de printgegevens) op 23 september 1999 om 20.36 uur. Dit nummer is in gebruik bij verdachte (ambtelijk verslag p. 10 en 11).
Commentaar Aantoonbaar onjuist. Er stonden nog 3 tot 4 nummers achter. En irrelevant gezien mijn eerste commentaar hierboven.
Citaat Resumerend is het hof van oordeel dat het niet aannemelijk is dat de verdachte het telefoongesprek op 23 september 1999 om 20:36 uur heeft gevoerd vanaf de A28 nabij afslag 't Harde. Het hof is in tegendeel van oordeel dat het feit dat dit gesprek is gevoerd via basisstation 14501 te Deventer er op duidt dat de verdachte op het genoemde tijdstip in of nabij Deventer was. Het hof baseert zich hierbij op onder meer de bovengenoemde deskundigen Rijnders, Steens, Jondral en Brussaard. Hetgeen hiertegen is ingebracht door de deskundigen Heinen en Sterrenburg acht het hof onvoldoende onderbouwd en niet concludent. Er is geen reden de resultaten van de hiervoor besproken deskundigenonderzoeken buiten beschouwing te laten.
Commentaar En dat had de verdachte ook niet aangevoerd. Wederom een dieptepunt in (juridisch?) redeneervermogen. Daarbij had het Hof selectief niet door, dat het weerrapport een ander verhaal vertelde, dan één van de deskundigen erin las.

Het bewijs bestond in feite uit twee delen: het moment van de moord en de aanwezigheid van Louwes in Deventer tijdens het telefoongesprek. Daarom was het noodzakelijk om het tijdstip van de moord naar voren te halen, zie ook de problematiek hiervan in hoofdstuk 3 (Tijdstip delict). Het tijdstip delict was in feite direct gekoppeld aan het tijdstip van dit telefoontje, dat daartoe herhaaldelijk als het laatste telefoontje werd betiteld, zonder een schimp van bewijs - hetgeen overigens iedereen ontging. Feitelijk vormt deze bewijsvoering een hangbrug tussen twee wolkenpartijen.

Omdat deze bewijsvoering voortdurende een rol speelt in de keten aan processen, ontkom ik er niet aan dit bewijs hier stap voor stap te ontmantelen. Om dat te doen, moet het bewijs an sich in al zijn aspecten eerst grondig worden gecategoriseerd. Overigens kwam de hele bewijsvoering, inclusief de weerlegging al uitgebreid aan de orde in de bespreking van het vonnis van Den Bosch (9 februari 2004) en de bespreking van het optreden van de deskundigen voor dit tribunaal.

De volgende onderdelen laten zich herkennen:

  1. De bron van het bewijs: Call Details Records.
  2. De verklaring van Louwes omtrent zijn aanwezigheid in de file op de A28 op het moment van het gesprek, inclusief de onjuiste weergave hiervan door het OM en in het vonnis van Den Bosch.
  3. De verwerping van deze verklaring op basis van de onmogelijkheid van versterkte propagatie.
  4. De verwerping van deze verklaring op basis van de werking van het GSM-protocol.
  5. De mogelijke invloed van geofysische gebeurtenissen.
  6. Reconstructies van het gebeurde.