De tweede herzieningsgrond: NFI vooringenomen

Herzieningsverzoek 26 juli 2006: NIEUW FEIT TEN AANZIEN VAN VOOR BEWIJS GEBEZIGDE NFI RAPPORTAGES 2003- 2004 IN RELATIE TOT HET NFI

4. In deze notitie [1 april 2006,], die als productie 12 aan dit herzieningsverzoek is gehecht, trachten de bedoelde NFI onderzoekers [waaronder dr. Kloosterman] de conclusies van het FSS inzake de zogenaamde zakelijk contact hypothese (dat wil zeggen dat het pretense DNA op de blouse terecht is gekomen door middel van een zakelijk contact dat verzoeker eerder met het slachtoffer had) te weerleggen door het volgende hieromtrent te overwegen: “De ‘zakelijk contact’ hypothese berust op de aanname dat Louwes kort voor het delict een bezoek heeft gebracht aan het huis van mw. Wittenberg. Dit bezoek zou ook de aanwezigheid van zijn vingerafdruk in de woonkamer verklaren. Volgens Louwes eigen verklaring zou hij eerder op de dag van het misdrijf op bezoek zijn geweest. De werkster heeft deze verklaring niet bevestigd. Als er geen steun is voor dit bezoek, wordt ook de steun voor de zakelijk contact hypothese aanmerkelijk gereduceerd”.
5. Op de eerste plaats kan worden vastgesteld dat het NFI zich met dit laatste heeft ingelaten met de bewijsvoering jegens verzoeker c.q. zich inlaat met de bewijsrechtelijke waardering van in deze strafprocedure afgelegde verklaringen, hetgeen niet tot de competentie behoort van een forensisch (DNA) deskundige. Dit laatste werpt een nieuw licht op de professionele invalshoek waarmee het NFI, als overheidsinstantie, de genoemde tweede hypothese heeft ontwikkeld die uiteindelijk heeft geleid tot de veroordeling van verzoeker.
6. Op de tweede plaats moet worden vastgesteld dat het NFI terzake is uitgegaan van een onjuiste voorstelling van de feiten, nu aantoonbaar is komen vast te staan in de strafprocedure dat de genoemde werkster weldegelijk (onder ede) heeft bevestigd dat verzoeker op de ochtend voor 23 september 1999 in de woning van de weduwe is geweest, een en ander zoals verzoeker zelf steeds heeft verklaard. Mevrouw Hofstede, deze werkster, heeft hieromtrent een ondubbelzinnig duidelijke verklaring afgelegd bij de regiopolitie IJsselland op 17 december 2003, dit in het kader van het hoger beroep na revisie. Hierin verklaarde zij: “Dit was op donderdag 23 september 1999. (..) Ik zag toen dat er een man de woning uitliep. Ik zag deze man de Zwolseweg oplopen. De man liep van mij uit gezien linksaf, dus in de richting van de Albert Heijn. Ik had deze man tot op dat moment nog nooit eerder gezien. Ik zag dat het een niet zo’n grote man was, hij had een ‘kalende kop’. (…) Toen ik op de rechtbankzitting in Zwolle aanwezig was, heb ik dezelfde man weer gezien. Ik zag dat de man die ik hierboven heb omschreven meneer Louwes was geweest. Ik herkende hem aan het kale hoofd. ”
7. Daarnaast, en doorslaggevend hiervoor, heeft mevrouw Hofstede haar verklaring onder ede nog bevestigd ter zitting van het Hof den Bosch op 26 januari 2004: “Die boekhouder is in de ochtend van 23 september 1999 op bezoek geweest. (..) Ik zag toen iemand op straat lopen. Ik heb die man herkend als de verdachte Louwes toen ik in Zwolle de zitting van de rechtbank bijwoonde. (..) Het bezoek van Louwes moet dus tussen 9.00 uur en 9.30 uur hebben plaatsgevonden.”
8. Met dit laatste staat vast dat het NFI bij de waardering van de vraag welke van de twee door haar zelf voor mogelijk gehouden hypothesen dient op te gaan, zich heeft bediend van onjuiste feiten c.q. aannames die geen steun vinden in de feiten van het dossier.
9. Geconcludeerd kan worden dat genoemde twee factoren als nieuwe feiten en omstandigheden zijn aan te merken ex artikel 457 lid 1 sub 2 Sv. Immers kan worden gezegd, ware het Gerechtshof in februari 2004 bekend geweest met deze twee factoren, het daardoor tot een andere waardering van de voor het bewijs gebruikte NFI rapporten was gekomen, althans deze niet zonder meer voor het bewijs zou hebben gebruikt. Evident is namelijk dat het NFI het oordeel dat de tweede hypothese meer waarschijnlijk was te achten dan de zakelijk contact hypothese, mede heeft ontleend aan de aanname dat voorafgaand aan het delict geen gewoon zakelijk contact op de vermoedelijke dag van de moord tussen verzoeker en het slachtoffer heeft plaatsgevonden, welke aanname zoals aangetoond een juiste feitelijke grondslag mist.
10. Ten aanzien van de eerste factor, de beschreven overschrijding van de competentie van het NFI door zich in te laten met de waardering van verklaringen en de hieruit voorvloeiende vooringenomenheid wordt ook bevestigd door een tweetal andere elementen, die in dit herzieningsverzoek terugkeren, te weten:
- de deskundige van het NFI, dr. Kloosterman wijst in het rapport van 19 mei 2006 (zie productie 16) op de mogelijkheid om andere gedeelten van blouse te onderwerpen aan een DNA onderzoek. Hij merkt op pagina 19 van het rapport hieromtrent op: “Hierbij wordt op de voorhand opgemerkt dat de kans dat bij dit onderzoek niet delictgerelateerde DNA-profielen van derden worden gedetecteerd relatief groot is.” Dit toont de vooringenomenheid van de onderzoeker aan, aangezien hij er blijkbaar bij voorbaat al vanuit gaat dat sporen van andere derden per definitie niet delict gerelateerd zouden zijn
- ten tweede in de genoemde NFI-notitie van 1 april 2006, waarin het FSS rapport wordt besproken, tracht het NFI de waarde van dit rapport te ondermijnen en de geloofwaardigheid van de NFIhypothese te verdedigen met de opmerking: “De rechter zal uiteraard het overige bewijs in zijn oordeel betrekken”. Ook hier overschrijdt de forensisch deskundige zijn competentie door zich in te laten met het bewijs in een strafzaak.
11. In dit opzicht wordt onder meer gewezen naar de Britse uitspraak inzake Doheny and Adams vs. the Queen uit 1997, waarin is bepaald dat het niet aan een forensisch expert is om zich in te laten in de mate van waarschijnlijkheid waarmee een verdachte al dan niet een delict kan hebben gepleegd.
12. De conclusie voor wat betreft dit hoofdstuk is dat een nieuw gegeven zich hierin voordoet dat thans is aangetoond, hetgeen het Hof in 2004 niet bekend was, dat het NFI bij het formuleren van de tweede hypothese en het uitspreken van een waarschijnlijkheidsoordeel hierover dat uiteindelijk leidde tot de veroordeling, is uitgegaan van onjuiste feiten, die bovendien betrekking hadden op een oordeel over de bewijswaarde van in de strafzaak afgelegde getuigenverklaringen. Immers, in retrospectief kan worden gezegd dat het NFI, door zich in te laten met de bewijswaarde van de onderliggende verklaringen relevant voor de beoordeling van de tweede hypothese, zich ten tijde van het ontwikkelen van deze hypothese en de keuze hiervoor heeft laten leiden door een oordeel over de pretense schuld van verzoeker in strafrechtelijke zin. Het is juist mede hierdoor dat het Hof niet op juiste wijze deze hypothese heeft kunnen beoordelen.

commentaar: de kennis van EL omtrent de schilderactiviteiten bij de buren en omtrent de methode van werken van de werkster, gecombineerd met de aangetoonde activiteit van het ophalen van een (recent door de weduwe ontvangen) brief en het bezoek aan een andere client in Deventer tonen sowieso aan, dat EL die ochtend bij de weduwe was. Uit de verslagen Den Bosch, blijkt, dat de AG destijds -ten onrechte- stelde te kunnen bewijzen, dat EL NIET 's ochtends  bij de weduwe was geweest, in aanwezigheid van de NFI-deskundigen, die hun onderzoek nog moesten voltooien en hun verslagen nog moesten schrijven .

Aanvulling Herzieningsverzoek 2 augustus 2006

10. Op 29 juli 2006 verscheen in het NRC Handelsblad een interview met Chief Scientist van het NFI, de heer T. Broeders, met als Titel 'Onderzoek irrelevante theorie ongewenst' (zie productie 35). Essentieel is dat de heer Broeders, in hoedanigheid als Chief Scientist, dit interview namens het NFI gaf en niet op persoonlijke titel. Immers, treft men in de tweede kolom in dit interview de passage aan: "Prof. Ton Broeders, Chief Scientist bij het NFI, licht de conclusies van zijn Instituut toe."
12. Uit de navolgende aan dit interview ontleende citaten volgt direct dat het NFI, zoals dit in het revisieverzoek in hoofdstuk V is aangetoond, zich bij het presenteren van de gewraakte hypothese aan het Hof Den Bosch in 2004 direct heeft laten leiden door een eigen oordeel over de waarde van het tactisch bewijsmateriaal c.q. de getuigenverklaringen, en daarmee niet als een forensisch onafhankelijk Instituut het Hof heeft voorgelicht, met welk feit het Hof in 2004 niet bekend was en dat, ware het toen daarmee bekend geweest, niet had geleid tot het accepteren van deze hypothese: "Had de hypothese dat de sporen van zakelijk contact afkomstig waren, niet ook onderzocht moeten worden, omdat die van zo 'n groot belang is voor de verdachte? Die hypothese is uiteraard ook onderzocht, als alternatief voor de intensief-contacthypothese. Overigens, of iets van groot belang is voor de verdediging, of voor het OM, is op zich geen reden. Je kunt ook de hypothese onderzoeken dat het DNA door de politie met een kwastje is aangebracht. Onderzoek naar de mate van steun voor irrelevante hypothesen is niet doelmatig en daarom ongewenst. Als je een blouse vindt die onder het bloed zit, is het niet plausibel te gaan zoeken naar speekselsporen. Iedereen kan tegen ons zeggen: die hypothese klopt niet, er is een betere. Maar dat heeft niemand in 2004 gedaan, ook de verdediging niet."
13. Dit wordt versterkt door het navolgende citaat uit het interview: "(...) Advocaat Knoops citeert in zijn herzieningsverzoek een notitie van u van april dit jaar, waarin u schrijft dat de werkster ontkent Louwes die dag te hebben gezien. U betoogt volgens Knoops dat dit 'feit' de geweldshypothese van het NFI ondersteunt .Hij vindt dat u met zo'n uitspraak aantoont niet objectief te zijn. Die uitspraak dateert van dit jaar en is gedaan in de marge van onze reactie op de second opinion die Knoops had laten uitvoeren in Engeland. (...) In onze notitie van april dit jaar zeggen wij alleen dat de zakelijk contacthypothese veronderstelt dat er een zakelijk contact geweest kan zijn. De werkster van het slachtoffer heeft in eerdere verklaringen ontkend dat ze Louwes die dag heeft gezien. Je kan zeggen: Het is jouw pakkie-an niet wat getuigen beweren. Maar ik ben hoogleraar criminalistiek, ik probeer daarover na te denken. Dat wordt van ons verwacht. Als gevolg van de Schiedammer Parkmoord is er nu een 'twijfelprocedure' bij het NFI. Die is erop gebaseerd dat onderzoekers juist wel hun mening meewegen en niet slaafs de vragen van politie en justitie beantwoorden" .
Afgezien van het gegeven dat op dit punt twee functies worden vermengd, kan er geen enkele rechtvaardiging c.q. argument bestaan dat forensisch onderzoekers hun mening geven over tactisch bewijsmateriaal en dit, ongecontroleerd, laten meewegen in de presentatie van hun onderzoeksresultaten aan de strafrechter. Toch ligt deze laatste opvatting, naar wij nu weten, ten grondslag aan de presentatie van de bestreden tweede hypothese in 2004 aan het Hof. Dit reeds is voldoende om ten aanzien van de inhoud van hoofdstuk V van het herzieningsverzoek te komen tot toewijzing hiervan.
14. Dat het NFI zich bij de weerlegging van de zakelijk contacthypothese, zoals deze pretense weerlegging in 2004 aan het Hof is voorgelegd, heeft laten leiden door een eigen oordeel omtrent de strafrechtelijke schuld van verzoeker, blijkt uit het volgende gegeven ontleend aan het interview. Het NFI stelt immers hierin: "Ik (de heer T. Broeders, die dit interview namens het NFI gaf en niet op persoonlijke titel; opmerking GJK) kijk overigens vaak met ongeloof naar de manier waarop rechters omgaan met getuigenverklaringen, zoals van die werkster. Vaak denk ik: die meneer of mevrouw zit te wachten om te zeggen wat de rechter wil horen. De meeste onjuiste veroordelingen in de VS waren gebaseerd op (oog) getuigenverklaringen, blijkt uit onderzoek. Die zijn later door DNA-bewijs weerlegd"

commentaar: De opmerkingen van Broeders zijn feitelijk ongericht, immers werd ook naast de bloedvlekken gezocht. De opmerking over 'speekselsporen' is van dezelfde orde; immers bracht het NFI zelf die mogelijkheid al ter sprake (en verwierp deze zelf a priori). De verklaring van de 'mevrouw' werd ondersteund door andere gegevens- zie hier.

Mondelinge Toelichting Herzieningsverzoek 15 november 2006

Sub (iii) De validiteit van de tweede hypothese van het NFI aan empirische betekenis aanzienlijk heeft ingeboet door zowel de in 2006 aan het daglicht gekomen vermenging tussen tweede hypothese met oordeel van het NFI over betrouwbaarheid verklaringen, alsmede het bestaan van maar liefst vier alternatieven
28. Forensische experts oordelen niet over schuld en onschuld, en al zeker niet over de betrouwbaarheid van tactisch bewijs zoals getuigenverklaringen in het kader van een forensisch onderzoek. Doen zij dit wel, dan zegt dit alles over hun (on)afhankelijkheid.
29. President, wat wij in 2004 niet wisten, maar nu wel is dat het onderliggend DNA rapport uit 2004 en de gepresenteerde tweede hypothese zijn gevoed door een oordeel over de betrouwbaarheid van zowel clint’s verklaring als van een van de belangrijkste getuigen, mevr. Hofstede (zier hiervoor de eerste aanvulling op het revisieverzoek van 2 augustus 2006).
30. In retrospectief is nu aangetoond dat het NFI in 2004 in feite niet zeven aannames heeft gebruikt voor de tweede hypothese, maar acht, te weten de door het NFI onaannemelijk geachte verklaring dat verzoeker die ochtend met de weduwe een zakelijk contact had. Daardoor heeft het Hof niet onafhankelijk voorgelicht ten aanzien van de cruciale vraag welke van de twee hypothese het meer aannemelijk achtte. (..)
31. Laten we bezien waaruit dit nieuwe gegeven bestaat. Productie 35, behorend bij de eerste aanvulling op het revisieverzoek (een artikel uit het NRC Handelsblad van 29 juli 2006 inhoudende een interview met Chief Scientist van het NFI, de heer T. Broeders, met als Titel ‘Onderzoek irrelevante theorie ongewenst’) toont het volgende aan:

(i)

Het NFI laat zich expliciet in met de waardering van het tactisch bewijs dat in de Deventer Moordzaak een rol heeft gespeeld bij de aanname van de tweede hypothese.

(ii)

Het NFI meet zich een expliciet oordeel aan over de betrouwbaarheid van bepaalde getuigenverklaringen die voor de bewijsrechtelijke waarde van het DNAmateriaal in een concrete strafzaak van doorslaggevend belang zijn. Zo werd o.a. met betrekking tot de getuige mevrouw Hofstede opgemerkt: “De werkster van het slachtoffer hft in eerdere verklaringen ontkend dat ze Louwes die dag heeft gezien. Je kan zeggen: Het is jouw pakkie-an niet wat getuigen beweren. Maar ik ben hoogleraar criminalistiek, ik probeer daarover na te denken. Dat wordt van ons verwacht.”

(iii)

Het NFI laat zich aldus in met de schuldvraag die tot de exclusieve competentie behoort van de strafrechter en die ten tijde van dit interview voorwerp vormde van het onderhavige herzieningsverzoek dat aan Uw Raad is voorgelegd, nota bene drie dagen voordat dit interview werd gegeven.

(iv)

Het NFI tracht door middel van dit interview haar eigen hypothese publiekelijk te verdedigen, hetgeen blijkt uit het feit dat men in dit interview een notitie van 1 april 2006 aan de orde stelt, welke notitie nota bene een belangrijk onderdeel vormt van hoofdstuk V van het revisieverzoek.
32. Veelzeggend is hier ook dat mr. Van der Meijden van het Landelijk Parket, na het lezen van het herzieningsverzoek, eiser bij schrijven van 8 september 2006 een andere versie van de NFI notitie van 1 april 2006 (zie productie 12 bij herzieningsverzoek) heeft toegezonden. De notitie van 1 april 2006 zou een conceptnotitie betreffen, terwijl de definitieve eindversie van de notitie, gedateerd 7 april 2006, aan het orinterend vooronderzoek ten grondslag zou hebben gelegen. In de nieuwere versie is de verklaring van mevrouw Hofstede ineens anders weergegeven. Waar in het rapport van 1 april nog was opgemerkt: “Volgens Louwes eigen verklaring zou hij eerder op de dag van het misdrijf op bezoek zijn geweest. De werkster heeft deze verklaring niet bevestigd.” staat op pagina 5 van de nieuwe versie: “De werkster heeft hierover tegenstrijdige verklaringen afgelegd.” In beide rapporten sluit deze alinea af met de opmerking: “Als er geen steun is voor dit bezoek, wordt ook de steun voor de zakelijke contacthypothese aanmerkelijk gereduceerd.”
33. Deze correctie maakt het alleen maar meer pregnant: de notitie van 1 april die een en ander onthult wordt daarmee extra benadrukt. Wat is nu hiervan het herzieningsrechtelijk gevolg?

(a)

Het NFI heeft het Hof terzake de validiteit van de tweede hypothese deze de facto achtste factor onthouden;

(b)

Het NFI, gevoed door deze vooringenomenheid heeft destijds geen redenen gezien om naar andere alternatieven te zoeken zoals deze thans in het FSS rapport zijn neergelegd (zie hierna).

commentaar: Hier worden twee gronden gemixed ("alsmede het bestaan van maar liefst vier alternatieven"), het gaat in deze bespreking uitsluitend over het oordeel van het NFI (a priori) op basis van een ander feit, dat niet bleek te bestaan. Alleen dit aspect is hier besproken, zoals ook in de toelichting overigens.

Conclusie inzake de Deventer-moordzaak 20 maart 2007 AG Mr. Machielse

3.1. Hoofdstuk V van de aanvraag draagt de titel "Nieuw feit ten aanzien van voor het bewijs gebezigde NFI rapportages 2003-2004 in relatie tot het NFI." Aanvrager presenteert dit feit als "een tweede nieuw feitelijk gegeven". Het is ontleend aan de schriftelijke reactie van het NFI (A.D. Kloosterman en A.P.A. Broeders) van 1 april 2006 op het rapport van Kenny (bijlage 12) Die reactie besluit met de volgende opmerking, waarvan aanvrager slechts het door mij gecursiveerde deel citeert: "De 'zakelijk contact'- hypothese berust op de aanname dat [aanvrager] kort voor het delict een bezoek heeft gebracht aan het huis van [slachtoffer]. Dit bezoek zou ook de aanwezigheid van zijn vingerafdruk in de woonkamer verklaren.Volgens [aanvrager] eigen verklaring zou hij eerder op de dag van het misdrijf op bezoek zijn geweest. De werkster heeft deze verklaring niet bevestigd. Als er geen steun is voor dit bezoek, wordt ook de steun voor de zakelijk contact-hypothese aanmerkelijk gereduceerd."
3.2. Het nieuwe feit komt er volgens aanvrager in de kern op neer dat uit bovengenoemde reactie in 2006 blijkt dat het NFI reeds in 2003/2004 niet onbevooroordeeld heeft gerapporteerd over de hypothesen ten aanzien van het terechtkomen van DNA-materiaal van aanvrager op de blouse van het slachtoffer. Kennelijk bedoelt aanvrager ook te stellen dat het NFI het hof niet heeft meegedeeld dat hun bevindingen voortkomen uit de veronderstelling dat er geen ontmoeting tussen aanvrager en slachtoffer heeft plaatsgevonden in de ochtend van donderdag 23 september 1999.
3.3. Vast staat dat over de vraag of aanvrager al dan niet in de ochtend van 23 september 1999 een bezoek zou hebben gebracht, wisselende verklaringen zijn afgelegd. Het hof heeft omtrent een bezoek van aanvrager aan het slachtoffer het volgende overwogen: "Dat tussen de verdachte en het slachtoffer bij enige ontmoeting tussen hen vr de avond van het overlijden van het slachtoffer een ander dan een normaal en zakelijk contact heeft plaatsgevonden is op geen enkele wijze gebleken. De verdachte heeft slechts de mogelijkheid geopperd dat hij het slachtoffer heeft aangeraakt op een moment dat zij emotioneel was. De verdachte heeft echter desgevraagd verklaard dat hij zich in concreto een zodanig contact niet kan herinneren."
3.4. Uit de overwegingen van het hof valt niet af te leiden dat het een dergelijk bezoek niet aannemelijk heeft geacht, wl dat het volgens het hof onaannemelijk is dat tussen veroordeelde en het slachtoffer voorafgaande aan de moord een ander dan een zakelijk en normaal contact heeft plaatsgevonden.
3.5. Uit de geciteerde opmerkingen in de hier bedoelde reactie van het NFI in 2006 blijkt niet dat het NFI bij zijn oordeel over de 'zakelijk contact'-hypothese in 2003/2004 ervan is uitgegaan dat aanvrager in de ochtend van donderdag 23 september 1999 niet bij het slachtoffer op bezoek is geweest. Dergelijke aannames bij het NFI zijn ook met deze opmerkingen in het achterhoofd niet te herkennen in de aanvankelijke rapporten van het NFI of in de verklaringen die Kloosterman en Eikelenboom op de terechtzittingen bij het hof hebben afgelegd. De verwijzingen in de aanvraag naar de verklaringen van mevrouw H. over het bezoek dat aanvrager in de ochtend van 23 september 1999 aan het slachtoffer zou hebben gebracht zijn daarom in dit verband zonder enige relevante betekenis, nog daargelaten dat het hof ter terechtzitting op 26 januari 2004 mevrouw H. zelf als getuige heeft gehoord.
3.6. Het is zeker in het licht van de geciteerde overweging van het hof (maar ook los daarvan) niet onbelangrijk voor het NFI om op te merken dat de mogelijkheid van het overdragen van DNA-materiaal en een bloedvlek via normaal zakelijk contact nog minder aannemelijk wordt "als er geen steun is voor dit bezoek". Dat is een waarheid als een koe. In dat geval zouden de sporen immers bij een nog eerder contact dan op de dag van de moord op de blouse moeten zijn terechtgekomen. Hoe verder weg dat contact verwijderd is van het moment waarop de sporen zijn verzameld, des te groter de kans dat door dat zakelijk contact achtergelaten DNA materiaal bijv. bij het schoonmaken, wassen etc. zou zijn verwijderd. Door hierop te wijzen is het NFI niet buiten zijn boekje gegaan, maar heeft het juist zijn voorlichtende taak serieus gestalte gegeven. Zeker niet zijn de deskundigen op de stoel van de rechter gaan zitten of hebben zij zich een oordeel aangemeten over de betrouwbaarheid van verklaringen over de vraag of veroordeelde nu wel of niet op de dag van de moord eerder een bezoek aan het slachtoffer heeft gebracht.
3.7. Aanvrager probeert de gestelde vooringenomenheid te bevestigen door te verwijzen naar een opmerking die NFI-deskundige Kloosterman in het NFI-rapport van 19 mei 2006 (bijlage 16) maakt naar aanleiding van de mogelijkheid om andere gedeelten van de blouse alsnog aan een onderzoek te onderwerpen: "Hierbij wordt op de voorhand opgemerkt dat de kans dat bij dit onderzoek niet delictgerelateerde DNA-profielen van derden worden gedetecteerd relatief groot is."
3.8. Volgens aanvrager toont dit de vooringenomenheid van de onderzoeker aan, omdat hij er blijkbaar vanuit gaat dat sporen van andere derden per definitie niet delict gerelateerd zouden zijn. Aanvrager zet de lezer hier op het verkeerde been, omdat hij niet vermeldt dat Kloosterman direct na deze zin als reden voor zijn opmerking geeft dat inmiddels meerdere onderzoekers aan de blouse onderzoek hebben gedaan en daarop DNA hebben kunnen achterlaten. Daarbij merkt hij direct op dat het wel mogelijk zou zijn die sporen als zodanig te detecteren. Van enige vooringenomenheid blijkt dus niet; enkel van een wetenschappelijke houding.
3.9. Deze "verkeerde been"-strategie wordt voortgezet als aanvrager vervolgens stelt dat het NFI in zijn schriftelijke reactie van 1 april 2006 op het rapport van Kenny dat laatste rapport probeert te ondermijnen en daarna zijn eigen oordeel probeert te verdedigen met de opmerking: "De rechter zal uiteraard het overige bewijs in zijn oordeel betrekken." Kennelijk bedoelt aanvrager hier te suggereren dat het NFI ervan uitgaat dat de rechter aan zijn rapport meer waarde zal hechten dan aan dat van Kenny, althans dat de rechter zich niet hoeft te verlaten op het rapport van Kenny. Bij lezing van de betreffende reactie blijkt dat aanvrager refereert aan het volgende citaat (onderstreping van mij): "Voor de rechter liggen er nu twee rapporten. Het ene rapport ziet het DNA-materiaal als delictgerelateerd en het bloedvlekje niet, het andere rapport noemt de aanwezigheid van het bloedvlekje 'very significant' en wijst op 'onschuldige' verklaringen voor de aanwezigheid van het DNA-materiaal. De rechter zal uiteraard ook het overige bewijs in zijn oordeel betrekken."
3.10. Gelet op de context waarin de door aanvrager bedoelde opmerking is geplaatst en gelet op het door aanvrager weggehaalde woordje 'ook' blijkt het hier om een constatering te gaan over de verschillen van inzicht tussen enerzijds de deskundigen van het NFI, anderzijds dr. Kenny. In wezen is in deze passage niet meer te lezen dan dat de rechter niet alleen het rapport van de FSS en de rapportage van het NFI, maar ook al het overige bewijs in ogenschouw zal nemen. Waarom de forensisch deskundigen aldus de grenzen van hun competentie zouden hebben overschreden is mij niet duidelijk.
3.11. Met het voorgaande heeft aanvrager niet aannemelijk kunnen maken dat het NFI in 2003/2004 vooringenomen is geweest bij de uitvoering van het DNA-onderzoek en het trekken van conclusies daaruit. Een novum levert het voorgaande dus weer niet op.
8.2.1. Voorts worden in deze aanvulling uitlatingen genoemd van prof. A.P.A. Broeders, werkzaam bij het NFI, en hoogleraar criminalistiek, in een interview dat op 29 juli 2006 in het NRC Handelsblad is verschenen. Het betreft hier dezelfde deskundige die met dr. Kloosterman de bij de aanvraag als bijlage 12 gevoegde notitie van 1 april 2006 van het NFI heeft geschreven en daarin inging op de verklaringen van de werkster over het bezoek van aanvrager aan het slachtoffer in de ochtend van donderdag 23 septemer 1999.
8.2.2. In beginsel ben ik het met de aanvrager eens dat deskundigen die in een strafzaak waarin herziening is aangevraagd hebben gerapporteerd, terughoudend behoren te zijn in uitlatingen over hun bevindingen. Maar het moet mij wel van het hart dat ik mij kan voorstellen dat een toponderzoeker van een vooraanstaand forensisch instituut als het NFI met gekromde tenen en knarsetandend kennis zal nemen van alle publikaties waarin zo een instituut van ondeskundigheid en partijdigheid wordt beticht en de gelegenheid te baat zal nemen daar het zijne tegenin te brengen. Maar noblesse oblige. Overigens zie ik in de uitlatingen geen aanknopingspunten voor een vooringenomenheid van het NFI in 2004. Broeders geeft in het interview aan dat een onderzoek in het wilde weg onverantwoord is. Deskundigen zijn er om de rechter voor te lichten over hetgeen hun wetenschap hun leert. Zo rapporteert het NFI vanuit een wetenschappelijke attitude over hetgeen wordt aangeboden en gaan de onderzoekers op zoek naar wetenschappelijk verantwoorde verklaringen die coherent zijn. Dat zij zich daarbij uitspreken over waarschijnlijkheden van verschillende scenario's en vandaaruit verdere onderzoeksvragen ontwikkelen lijkt mij wetenschappelijk volkomen verantwoord. Aldus opererende gaat de onderzoeker niet op de stoel van de rechter zitten, geeft geen oordeel over betrouwbaarheid van getuigen en velt geen schuldoordeel. Het NFI heeft dat ook niet gedaan voorafgaande aan het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 januari 2004 in Den Bosch. Ik meen dat de aanvrager hier een vervreemdend beeld schetst van de bijdrage van de deskundige aan het strafproces. Desgevraagd moeten wetenschappelijke deskundigen juist wl hun mening geven over de waarde van tactisch bewijsmateriaal in het licht van het verwijt dat aan een verdachte wordt gemaakt. Als in een gewone strafzaak een deskundige benoemd wordt om de betrouwbaarheid van een getuige te onderzoeken verdringt de deskundige toch ook de rechter niet?

commentaar: Uit 3.3 en 3.4 kan men de onthutsende conclusie trekken, dat de AG de herzieningsgrond van Knoops gewoon niet begrijpt. Voorts tracht de AG de standpunten van het NFI te reduceren tot een academische houding. Dit klopt uiteraard niet met het gestelde.
Door vooral in te gaan op vrij nutteloze toevoegingen van de aanvrager (punt 10) lijkt de AG een redelijk verweer te kunnen bieden. Over de case tegen Broeders laat de AG zich op een heel andere plaats in zijn notitie uit. In 8.2.2. gebruikt hij heel veel woorden om te verhullen, waar het om gaat: het hof wist niet, dat een -onjuiste- premisse in de verslaggeving had meegespeeld .En de deskundige wist niet, dat het beloofde tactische bewijs uiteindelijk niet kon worden geleverd.

SCHRIFTELIJKE REACTIE OP CONCLUSIE D.D. 20 MAART 2007 VAN ADVOCAAT-GENERAAL MR. MACHIELSE 2 april 2007 G.J. Knoops

88. De stelling van de AG in paragraaf 8.2.2 dat aanvrager “een vervreemdend beeld schetst van de bijdrage van de deskundige aan het strafproces” miskent de rechtspraak van het EHRM op dit punt waaruit nu juist volgt dat ook een deskundige ten aanzien van wie de schijn van partijdigheid bestaat c.q. zich anderszins vooringenomen opstelt, als deskundige in het strafproces dient te worden uitgesloten. Het EHRM heeft dit in de uitspraak Bnisch tegen Oostenrijk ook met zoveel woorden bepaald met overweging:
“It is easily understandable that doubts should arise, especially in the mind of an accused, as to the neutrality of an expert when it was his report that in fact prompted the bringing of a prosecution. In the present case, appearances suggested that the Director was more like a witness against the accused. In principle, his being examined at the hearings was not precluded by the Convention, but the principle of equality of arms inherent in the concept of a fair trial (see, mutatis mutandis, the Delcourt judgment of 17 January 1970, Series A no. 11, p. 15, para. 28) and exemplified in paragraph 3 (d) of Article 6 (art. 6-3-d) ("under the same conditions" - see, mutatis mutandis, the Engel and Others judgment of 8 June 1976, Series A no. 22, p. 39, para. 91) required equal treatment as between the hearing of the Director and the hearing of persons who were or could be called, in whatever capacity, by the defence.”
89. Toegepast op onderhavige zaak dient ook hier te worden vastgesteld dat het NFI, op grond van de ingebrachte nieuwe stukken, zich niet als een onafhankelijk expert heeft opgesteld tijdens het strafproces tegen aanvrager en in dit licht geen onafhankelijk oordeel aan het hof heeft voorgelegd.
90. De stelling van de AG dat wetenschappelijke deskundigen juist wl hun mening zouden moeten geven over de waarde van tactisch bewijs in het licht van het strafrechtelijk verwijt mist dan ook een juridische grondslag (nog daargelaten dat de AG geen enkele bron voor zijn stelling poneert) en miskent bovendien het beginsel van de zogehete “ultimate issue” rule dat wil zeggen gaat het om een waardering van getuigenverklaringen in het kader van schuld of onschuld, valt dit buiten de competentie van een deskundige. Dit beginsel vormt een geaccepteerd beginsel binnen het Internationaal recht alsmede de belangrijkste rechtsystemen in de wereld. Professor Wagenaar bevestigt zulks als hij zegt dat: “hierbij moet worden opgemerkt dat de schuldvraag, the ultimate issue zoals de Amerikanen zeggen, niet ter beoordeling van deskundigen is”
91. Bovendien haalt de AG hier twee dingen door elkaar: het gaat hier om een forensisch onderzoeker die sporenmateriaal sec te dient detecteren; het gaat in onderhavige kwestie nu juist niet om een deskundige die in een “gewone strafzaak” is benoemd om de betrouwbaarheid van een getuige te onderzoeken. Dit is het vergelijken van appels met peren.
92. Vaststaat dat eerst na de veroordeling door het hof naar boven is gekomen dat de onderzoekers van het NFI zich, in strijd met genoemd beginsel, hebben ingelaten met de waardering van het tactisch bewijs waardoor aan de tweede hypothese een geheel andere waarde dient te worden toegekend. Het hof was hier stellig niet mee bekend. Duidelijker kan het niet worden gezegd. De AG negeert hier de realiteit in de forensische wereld die door meerdere onderzoekers is gesignaleerd en ook terugkeert in het pleidooi van 15 november 2006 van pagina 13 waar de vooraanstaande wetenschapper Frackelton door ons wordt geciteerd dat een van de oorzaken van gerechtelijke dwalingen nu juist gelegen is in vooringenomenheid van het onderzoek bij en door de forensisch onderzoeker.
93. De AG laat daarbij gemakshalve weg dat de vermenging van de forensisch onderzoeker in deze zaak met de schuldvraag nu juist plaatsvond ten aanzien van de essentie van de zaak namelijk het al dan niet accepteren van de zakelijk contacthypothese. Er is immers hard bewijs dat aanvrager op de ochtend van 23 september 1999 een bezoek bracht aan het slachtoffer. Met het NFI slaat dus de AG de plank mis dat voor de zakelijk contacthypothese geen bevestiging zou bestaan. Doordat de AG onder punt 8.2.2 stelt dat het NFI hierdoor niet “op de stoel van de rechter” zou gaan zitten en dat het zich uitspreken over “waarschijnlijkheden van verschillende scenario’s en van daaruit verdere onderzoeksvragen ontwikkelen” hem “wetenschappelijk volkomen verantwoord” lijkt, miskent de rol van de forensisch onderzoek als het gaat om het presenteren van biologisch sporenmateriaal.
94. Dat een en ander door het NFI eerst n de veroordeling door het hof tot uiting is gebracht ((...)) maakt de situatie nu juist alleen maar meer pregnant en bevestigt juist dat het hier om een gegeven gaat (de vooringenomenheid van de onderzoeker op wiens rapport de veroordeling direct stoelt) dat niet bij het hof bekend was!

commentaar: Knoops noemt 3.1 t/m 3.11 van de AG niet en loopt aldus gevaar de indruk te wekken, deze argumenten te ondersteunen.

Hoge Raad der Nederlanden Arrest op een aanvrage tot herziening 18 maart 2008





8.1. Hoofdstuk V van de aanvrage komt - samengevat - hierop neer dat het NFI niet volledig en niet onbevooroordeeld heeft gerapporteerd over de hypothesen betreffende de overdracht van het DNA van de aanvrager op de blouse van [het slachtoffer]. In de aanvrage wordt daartoe verwezen naar het NFI-rapport van 21 april 2006, opgemaakt door ing. M.J. van derScheer en dr. A.D. Kloosterman (productie 16) en de NFI-notitie van 1 april 2006, opgemaakt door A.P.A.Broeders en A.D. Kloosterman met betrekking tot het FSS-rapport (productie 12). In het eerste aanvullende herzieningsverzoek wordt voorts nog verwezen naar de tekst van een interview met genoemde Broeders in NRC-Handelsblad van 29 juli 2006 (productie 35). De inhoud van de genoemde stukken toont volgens de aanvrager aan dat de validiteit van de hypothese van het NFI dat het op de blouse van [het slachtoffer] aangetroffen celmateriaal is overgedragen tijdens een gewelddadig incident, aan betekenis heeft ingeboet. Daarnaast blijkt volgens de aanvrager uit die stukken dat het NFI vooringenomen is geweest, is uitgegaan van een onjuiste voorstelling van de feiten door aan te nemen dat voorafgaand aan het delict geen zakelijk contact heeft plaatsgevonden tussen de aanvrager en [het slachtoffer], en zich als forensisch onafhankelijk instituut heeft ingelaten met de aan de strafrechter voorbehouden schuldvraag.
8.2. De inhoud van de hierboven genoemde stukken en meer in het bijzonder het daar genoemde interview bieden geen grond voor het oordeel dat het NFI vooringenomen is geweest bij de uitvoering van het DNA-onderzoek en het trekken van conclusies daaruit, en voor het oordeel dat het NFI is uitgegaan van een onjuiste voorstelling van de feiten door aan te nemen dat voorafgaand aan het delict geen zakelijk contact heeft plaatsgevonden tussen de aanvrager en [het slachtoffer]. Meer in het bijzonder blijkt noch uit de NFI-notitie van 1 april 2006 (productie 12) noch uit de overige stukken dat het NFI ervan is uitgegaan dat de aanvrager - anders dan deze bij de behandeling van de zaak door het Hof heeft aangevoerd - in de ochtend van 23 september 1999 niet bij [het slachtoffer] op bezoek is geweest.
Bovendien heeft het Hof blijkens zijn hiervoor onder 4.2.2sub 2.1.8 weergegeven overwegingen geoordeeld dat op geen enkele wijze is gebleken dat tussen de aanvrager en [het slachtoffer] bij enige ontmoeting tussen hen vr de avond van het overlijden van [het slachtoffer] een ander dan normaal en zakelijk contact heeft plaatsgevonden. Daaruit kan niet worden afgeleid dat het Hof het gestelde bezoek in de ochtend van 23 september 1999 onaannemelijk heeft geacht, doch alleen dat het Hof het onaannemelijk heeft geoordeeld dat de aanvrager voorafgaand aan de moord een ander dan normaal en zakelijk contact heeft gehad met [het slachtoffer].
8.3. Noch het aangevoerde noch de inhoud van de genoemdestukken is van een zodanig gewicht dat het ernstige vermoeden rijst dat het Hof tot een ander oordeel zou zijn gekomen indien het daarmee bekend was geweest. Daaruit volgt dat ookdit onderdeel van de aanvrage niet een novum oplevert.

commentaar: Ook de HR blijkt op basis van de tweede alinea van 8.2 niet te begrijpen waar het omgaat: het Hof kon niet weten, dat het NFI dacht te weten dat het ochtendbezoek niet had plaatsgevonden, c.q. niet vasstond. Verder doet deze gehele herziening geen recht aan het feit, dat tijdens de zitting van 8 december 2003 de AG aan alle aanwezigen (inclusief de DNA-deskundigen van het NFI) heeft voorgehouden: "Daar komt bij dat ik kan aantonen dat verdachte op 23 september 1999 niet in de ochtend bij het slachtoffer is geweest, zodat hij toen niet zijn DNA-materiaal kan hebben achtergelaten". Bij de daaropvolgende gelegenheid rapporteerde het NFI. Voorts hecht de HR veel waarde aan de omstandigheid, dat een dergelijk contact dan niet anders zou zijn geweest als 'normaal en zakelijk'. Daarmee laat de HR alleen maar zien, dat zij de herzieningsgrond ook in dit opzicht gewoon niet begrijpt. Tenslotte leeft de HR hier gewoon in ontkenning gezien het volgende citaat van het NFI: "De werkster heeft deze verklaring niet bevestigd. Als er geen steun is voor dit bezoek, wordt ook de steun voor de zakelijk contact hypothese aanmerkelijk gereduceerd”. Mogelijk is dit deels veroorzaakt door de afwezigheid van een reactie van Knoops op punt 3.5 van de AG.