De vierde herzieningsgrond: deskundige De Knijff

Herzieningsverzoek 26 juli 2006: NIEUW FEIT TEN AANZIEN VAN VOOR BEWIJS GEBEZIGDE NFI RAPPORTAGES 2003- 2004 IN RELATIE TOT HET NFI

VII NIEUWE FEITEN ONTLEEND AAN VERKLARING PROF. DR. P. DE KNIJFF D.D. 22 JUNI 2006

(..)
7.2 Onjuiste citering door Hof van prof. De Knijff
4. Op de eerste plaats kan worden vastgesteld dat het Hof de verwerping van de zakelijk contact hypothese heeft afgeleid uit het feit dat door de NFI deskundige is verklaard dat er bij onderzoek van de sporen op de blouse door middel van de crimescope geen ‘oplichting’ werd waargenomen, zodat hierom geen indicatie bestond voor aanwezigheid van speeksel (zie r.o. 2.1.9.).
5. Het Hof heeft mede op grond hiervan de tweede hypothese van het NFI overnomen en is hierin gesterkt door de overweging in het arrest in r.o. 2.1.9. inhoudende dat “Dr. De Knijff heeft verder de verklaring van ing. Eikelenboom onderschreven dat, als bij onderzoek van sporen met behulp van de crimescope geen fluorescentie wordt waargenomen, dit betekent dat er geen indicatie is voor de aanwezigheid van lichaamsvloeistoffen. Dr. De Knijff heeft desgevraagd bevestigd dat bij die sporen de hypothese dat het celmateriaal van speekseldruppeltjes afkomstig kan zijn, niet past.” Deze overweging toont aan dat inderdaad het Hof de inwendige bewijsconstructie heeft doen baseren op deze veronderstelde stelling van prof. De Knijff.
6. Echter in genoemde verklaring van 22 juni 2006 verklaart prof. De Knijff: “Ik kan me niet voorstellen dat ik dit als antwoord gegeven zou hebben. Nu zou ik het zeker niet zo beantwoorden. (..) Er is nog steeds (en dus ook niet in 2004; GJK) geen enkel empirisch onderzoek naar het gebruik en de waarde van de Crimescoop bekend. De afwezigheid van oplichting is geen aanwijzing voor de afwezigheid van biologisch materiaal (…) (net-zo-min overigens dat aanwezigheid van oplichting altijd op de aanwezigheid van DNA bevattend biologisch materiaal wijst).”
7. Deze deskundige tekent in zijn verklaring tevens aan: “ik niet zeker weet of (1) die tekst correct is opgetekend – b.v. na afluisteren van een integrale bandopname - of is benvloed door de perceptie van de notulist, en (2) of ik zelf nog wel zo exact weet wat ik precies als antwoord op gestelde vragen gegeven heb.”
8. Op grond van het bovenstaande is de conclusie gewettigd dat het Hof de weerlegging van de verweren van de verdediging, namelijk dat de deskundige prof. dr. De Knijff de conclusies en bevindingen van het NFI juist tegensprak en deze laatste niet vaststonden, heeft ontleend aan een zinssnede van de deskundige De Knijff die deze niet ter zitting heeft uitgesproken, dan wel waarvan hij thans expliciet afstand neemt.
9. Nu het bovendien gaat om een aspect dat direct van invloed is geweest op de bewijswaarde van de tweede hypothese die tot de veroordeling heeft geleid, vormt de inhoud van de verklaring van 22 juni 2006 een nieuw feit in relatie tot de rechtsoverwegingen 2.1.8. en 2.1.9. van het arrest die terzake doorslaggevend zijn geweest voor de veroordeling.
10. Zoals hiervoor in hoofdstuk VI reeds aan de orde is gesteld heeft nu juist de NFI deskundige in 2004 het Hof in de veronderstelling gebracht dat nu geen fluorescentie was waargenomen er dus ook geen speeksel aanwezig was in de biologische sporen op 56 de blouse. Op pagina 22 van het zittingsp.v. van het Hof van 26 januari 2004 lezen we uit de mond van ing. Eikelenboom: “Gelet op deze bevindingen is vervolgens de hypothese onderbouwd dat het celmateriaal in de lichtrode substantie van huidcellen afkomstig is en tijdens het delict is aangebracht”. En juist hierdoor heeft het Hof de hypothese van het NFI overgenomen hetgeen blijkt uit r.o. 2.1.7. onder punt 2: “de in de lichtrode substantie aangetroffen sporen geven bij beschouwing met de crimescope geen indicatie voor de aanwezigheid van lichaamsvloeistoffen zoals sperma, speeksel of zweet, hetgeen enige steun geeft aan de veronderstelling dat het aldaar aangetroffen celmateriaal afkomstig is van huidcellen.”

(..)

commentaar: De overige artikelen zijn hier niet overgenomen, omdat deze overduidelijk parafrases zijn van hetgeen prof. De Knijff destijds al naar voren bracht tijdens het proces en derhalve weinig relevant zijn in een herziening; het Hof kende de opvattingen van De Knijff op dit punt. eventuele -voorspelbare- vervolgopmerkingen zullen hier verder buiten beschouwing blijven. Wat echter een misser is, is dat de onjuist citering niet direct is gerelateerd aan het p.v. van de zitting, waar dat onjuiste citaat aan ontleend is: "Ik onderschrijf de bevinding van ing. Eikelenboom dat, als bij onderzoek van sporen met behulp van de crimescope geen fluorescentie wordt waargenomen, dit betekent dat er geen indicatie is voor de aanwezigheid van lichaamsvloeistoffen. Desgevraagd beaam ik dat vlek #20 niet past bij de hypothese dat het DNA via speekseldruppeltjes op de blouse van het slachtoffer terecht is gekomen.(..)." De tweede zinssnede heeft overduidelijk betrekking op slechts n spoor, terwijl het citaat, dat het Hof in het arrest bezigde verwijst naar het geheel der niet-fluorescerende sporen. Een goede verstaander kan uit het zittingsverslag afleiden, dat De Knijff dit zeker NIET bedoelde. Het nut van deze herzieningsgrond is hierin gelegen.

Mondelinge Toelichting Herzieningsverzoek 15 november 2006

IV KERN VAN DE NOVA: HOOFDSTUK VII
69. Hoe kon het Hof in 2004 zo oordelen? Was er dan niemand die het Hof waarschuwde? Jazeker, prof. De Knijff. Hij zei ter zitting van het Hof in 2004 al “in geval van deze zaak lijkt het mij heel goed mogelijk dat langs een normale weg (overdracht middels speekseldruppeltjes) DNA van verdachte vooral op de voorkant van de blouse terecht kan komen.”9 In feite waarschuwde hij het Hof als volgt: “Ik kan geen uitspraak doen over de mate van waarschijnlijkheid (..)”. Maar het Hof passeerde hem: ten onrechte naar nu blijkt. Sterker, het Hof ging uit van woorden die prof. De Knijff niet had gezegd op de zitting. En ook hierdoor kon het Hof ten onrechte de overtuigendheid van het bewijs ontlenen aan een deskundige die hierop later terugkomt. Ik doel hier op de nieuwe verklaring van prof. De Knijff van 22 juni 2006 (zie productie 18 revisieverzoek).
70. Prof. De Knijff trok zich het lot van deze zaak in forensisch-technisch opzicht aan en geconfronteerd met r.o. 2.1.9. van het arrest van het Hof (waarin het Hof optekent dat prof. De Knijff de conclusie van het NFI zou onderschrijven dat geen oplichting crimescope zou betekenen afwezigheid lichaamsvloeistoffen) rapporteert hij thans: “Ik kan me niet voorstellen dat ik dit als antwoord gegeven zou hebben. Nu zou ik het zeker niet zo beantwoorden. (..)”
71. Hieruit blijkt dat het Hof zich ten onrechte heeft gebaseerd op een beweerdelijke verklaring van prof. De Knijff ter zitting die hij niet heeft afgelegd, en die weldegelijk cruciaal is voor de aanvaarding van de tweede hypothese: een situatie dus gelijk aan HR NJ 2001, 564.
72. Maar diens verklaring biedt meer nieuwe feiten die het NFI ten onrechte in 2004 achterwege liet. Deze vaststelling heeft grote herzieningsrechtelijke gevolgen in het licht van ook HR NJ 2001, 564. Het herzieningsverzoek zet op de pagina’s 54 t/m 59 dit als vierde novum uiteen. Een drietal nieuwe feiten volgen hieruit, ontleend aan deze nieuwe verklaring van prof. dr. De Knijff van 22 juni 2006:

(..)

commentaar: Nog steeds geen verwijzing naar de tekst van het p.v. van de desbetreffende zitting, waarmee duidelijk kan worden gemaakt, dat het Hof De Knijff inderdaad verkeerde citeerde en van een bijzonder geval een trend maakte.

Conclusie inzake de Deventer-moordzaak 20 maart 2007 AG Mr. Machielse


Vierde onderdeel: nieuwe feiten ontleend aan verklaring prof. Dr. P. de Knijff d.d. 22 juni 2006
5.1. Bij de herzieningsaanvraag is een brief van Prof. Dr. P. de Knijff gevoegd, gedateerd 22 juni 2006 (bijlage 18). In die brief refereert De Knijff aan een schriftelijke vraag van aanvrager aan hem waarin aanvrager hem wijst op "overweging 2.1.9. uit het arrest van het Hof Den Bosch uit de zaak van [aanvrager], waarin het hof optekent dat zowel ing. Eikelenboom als jij de conclusie onderschrijven dat 'als bij onderzoek van sporen met behulp van de crimescope geen fluorescentie wordt waargenomen, dit betekent dat er geen indicatie is voor de aanwezigheid van lichaamsvloeistoffen'". Het antwoord van De Knijff hierop luidt als volgt: "Ik kan me niet voorstellen dat ik dit als antwoord gegeven zou hebben. Nu zou ik het zeker niet zo beantwoorden. Kort (een maand later) na de behandeling van deze zaak heb ik in de VS gesproken met de producent van dit apparaat. Hij vertelde mij toen dat hij geen enkel artikel of studie kende waarin de gevoeligheid / bereik / betrouwbaarheid van de CrimeScoop is beschreven. De gangbare gedachte is dat als je een oplichting ziet, het meestal een biologisch spoor (met of zonder DNA) is, en dus de moeite waard om nader te onderzoeken. De afwezigheid van oplichting is geen aanwijzing voor de afwezigheid van biologische sporen. Ik heb twee weken geleden dezelfde vraag aan een Amerikaanse collega van mij voorgehouden. Die gaf hetzelfde antwoord. Er is nog steeds geen enkel empirisch onderzoek naar het gebruik en de waarde van de CrimeScoop bekend. Afwezigheid van oplichting is zeker niet afwezigheid van biologisch materiaal (net zo min overigens dat aanwezigheid van oplichting altijd op de aanwezigheid van DNA bevattend biologisch materiaal wijst)."
5.2. Het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 26 januari 2004, houdt als verklaring van De Knijff - voor zover hier relevant - het volgende in (onderstreping door mij): "Ik kan onderschrijven dat minimaal 200 huidcellen nodig zijn om met standaardmethoden een bruikbaar DNA-profiel te verkrijgen. Een geringere hoeveelheid is niet voldoende. (..) U vraagt mij of ik de conclusie van ing. Eikelenboom onderschrijf dat de hypothese dat het DNA in de onderhavige zaak is overgedragen tijdens een gewelddadig incident door de bevindingen meer wordt ondersteund dan de hypothese dat het DNA is overgedragen via oppervlakkig contact. Ik ben geen deskundige op het gebied van sporen. Ik acht mij derhalve niet deskundig om aan de in de onderhavige zaak aangetroffen sporen enige conclusie te verbinden omtrent de wijze waarop deze kunnen en/of moeten zijn overgebracht. Ik kan vanuit mijn deskundigheid evenmin een uitspraak doen over de vraag hoeveel kracht nodig is om, door middel van direct of indirect contact, een hoeveelheid van minimaal 200 cellen over te dragen. (..) Mij wordt gevraagd om een toelichting op antwoord 4 in mijn brief aan de raadsman d.d. 22 januari 2004, inhoudende: "In geval van deze zaak lijkt het mij heel goed mogelijk dat langs een normale weg (overdracht middels speekseldruppeltjes) DNA van verdachte vooral op de voorkant van de blouse van het slachtoffer terecht kan komen". Ik heb uitsluitend bedoeld om aan te geven wat voor andere mogelijkheden er zijn om de aanwezigheid van DNA op kledingstukken te verklaren. Ik kan geen uitspraak doen over de mate van waarschijnlijkheid dat in deze zaak DNA door middel van speekseldruppeltjes op de voorkant van de blouse is terechtgekomen. Mij wordt voorgehouden dat, blijkens het rapport van het NFI d.d. 22 januari 2004, in vlek #20 de hoeveelheid DNA-materiaal die van de verdachte afkomstig kan zijn de hoeveelheid DNA van het slachtoffer overtreft. Dit was mij nog niet bekend toen ik mijn brief aan de raadsman schreef. Ik onderschrijf de bevinding van ing. Eikelenboom dat, als bij onderzoek van sporen met behulp van de crimescope geen fluorescentie wordt waargenomen, dit betekent dat er geen indicatie is voor de aanwezigheid van lichaamsvloeistoffen. Desgevraagd beaam ik dat vlek #20 niet past bij de hypothese dat het DNA van verdachte via speekseldruppeltjes op de blouse van het slachtoffer terecht is gekomen."
5.3. Voor zover De Knijff terugkomt op de verklaring die hij blijkens het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep op 26 januari 2004 over de crimescope heeft afgelegd, lijkt hij vooral terug te willen komen op een in zijn ogen te stellige verklaring over de crimescope. Hij schrijft namelijk dat de gangbare gedachte is dat als je een oplichting ziet, het meestal een biologisch spoor (met of zonder DNA) is, en dus de moeite waard om nader te onderzoeken. Daarna stelt hij dat de afwezigheid van oplichting geen aanwijzing voor de afwezigheid van biologische sporen is. Het gaat hier weer om een discussie over (on)zekerheden. Ing. Eikelenboom heeft immers niet meer verklaard dan dat er door het niet waarnemen van lichaamsvloeistoffen met de crimescope geen indicatie is voor de aanwezigheid van lichaamsvloeistoffen. Hij heeft echter bij het hof reeds erkend dat die lichaamsvloeistoffen er wel kunnen zijn.

(..)

commentaar: Het antwoord van de AG gaat vervolgens uitvoerig in op een vergelijking van de nieuwe verklaring van De Knijff en de de verklaringen van De Knijff en Eikelenboom tijdens het proces. Deze verklaringen werden -in geheel verschillende bewoordingen- steeds met vele slagen om de arm afgelegd, dus kunnen moeilijk als herzieningsgrond dienen. Dat de verklaring van De Knijff, wat betreft het gemarkeerde deel, niet correspondeert met de argumentatie in het vonnis, komt niet ter sprake. Op zich niet zo onlogisch, want de tegenspraak werd ook door de verdediging niet duidelijk uit de doeken gedaan. De bijzondere omstandigheid doet zich nu voor, dat Knoops uit het arrest heeft geciteerd en de AG uit het pv en nog steeds de kortsluiting niet tot stand is gekomen.

SCHRIFTELIJKE REACTIE OP CONCLUSIE D.D. 20 MAART 2007 VAN ADVOCAAT-GENERAAL MR. MACHIELSE 2 april 2007 G.J. Knoops

VI Ad vierde onderdeel

(..)
72. Bovendien heeft het hof door prof. De Knijff onjuist te citeren c.q. te begrijpen daardoor extra kracht aan de stelling van ing. Eikelenboom toegekend. Dit vormt nu juist de essentie van de verklaring van prof. De Knijff van 22 juni van 2006.

(..)

commentaar: Het zwaartepunt ligt bij het gegeven, dat De Knijff -nu in veel duidelijker termen- nog eens hetzelfde stelt, als dat hij deed bij het proces in 2004. Knoops blijft hierop hameren, maar krijgt daarmee natuurlijk geen novum van de grond. Deze onderdelen zijn hier weggelaten (de documenten zijn beschikbaar en gelinkt in de bovenliggende paragraaf). De kern van de herzieningsgrond (punt 72. hier) raakt daardoor verwaterd en is nog steeds niet uitgewerkt. Er is geen confrontatie geweest tussen de uitspraak van De Knijf en de onjuiste citering, en zeker geen analyse van de dwaling die dit opleverde.

Hoge Raad der Nederlanden Arrest op een aanvrage tot herziening 18 maart 2008

10. Beoordeling van de vierde herzieningsgrond

(..)
10.8. Uit het voorgaande volgt dat het aangevoerde geen novum vormt.

commentaar: Nergens wordt nu meer gerefereerd aan de onjuiste citering, die ook nooit expliciet is gemaakt. De gevolgen werden dus ook niet bediscussieerd. De overige argumenten zijn in overeenstemming met het hier boven reeds gestelde.